Door Arjan Schuurmans
Zwart en wit — normaal kom ik deze combinatie alleen tegen bij de stukken op een schaakbord, maar soms kom je dit contrast ook buiten in de natuur tegen.
Mijn reis naar IJsland bestond uit twee delen: een schaaktoernooi in Reykjavík, gecombineerd met een korte roadtrip door het zuiden van het land.

Het toernooi vond plaats in Harpa, een modern concert- en conferentiegebouw aan de oceaan in Reykjavík. Het contrast was al vroeg voelbaar: tijdens de tweede ronde hing binnen de stilte van concentratie, terwijl buiten een sneeuwstorm langs het gebouw raasde. De wind trok aan tot stormkracht, en door de ramen zag je de donkere golven onrustig op en neer slaan. Binnen bleef het spel beheerst en precies; buiten was alles beweging en kracht.
In de vierde ronde nam ik een rustdag: een bye. Samen met vier clubgenoten, die ook aan het toernooi deelnamen, verruilde ik het schaakbord tijdelijk voor de Golden Circle rond Reykjavík. Þingvellir was de eerste stop: de historische parlementsplek waar ook de grens tussen de Noord-Amerikaanse en Euraziatische plaat zichtbaar is. Daarna volgde het geothermische gebied bij Geysir, waar Strokkur met regelmaat uitbarst. Tot slot stonden we bij Gullfoss, de ‘gouden waterval’.


Daar kwam het zwart-witcontrast opnieuw tot leven. Zwarte rotsen waar wit water met kracht overheen stort. Waar het schaakbord overzicht en structuur biedt, voelde dit landschap juist groots en ongrijpbaar.
Later in het toernooi, rond de zevende ronde, was er in de ochtend ruimte om de stad te verkennen. Zo bezocht ik The Settlement Exhibition in Reykjavík, gebouwd rond een opgegraven longhouse midden in het centrum. Het gaf een inkijk in de vroege geschiedenis van de stad. Een klein maar mooi detail: in de eerste zaal lagen twee oude, schaakachtige spellen: een variant van het Vikingbordspel hnefatafl, met een leider in het midden, en een IJslands spel waarbij het doel was om meer ‘varkens’ te verzamelen dan je tegenstander — interessant om te zien dat er in de middeleeuwen al werd gespeeld ter ontspanning en uitdaging.

Op de ochtend van de speeldag van ronde acht bezocht ik met twee reisgenoten het Nationaal Museum van IJsland, recht tegenover onze B&B aan de Hringbraut. Daar kregen we een breder beeld van de geschiedenis van het land, van de eerste nederzettingen tot het moderne IJsland.
Na het toernooi, sloot een zesde clubgenoot zich alsnog bij ons aan. We waren eindelijk compleet; het voelde alsof een kwijtgeraakt stuk weer gevonden werd — en de schaakset weer volledig was.
Daarna begon een nieuw hoofdstuk: vier dagen roadtrip. Vanuit Reykjavík trokken we zuidwaarts richting Vík en verder naar Höfn. Bij Seljalandsfoss liepen we voorlangs het vallende water; in het zachte licht, ongeveer een uur voor zonsondergang, stond een kleine regenboog in de nevel — een zeldzaam moment van kleur in een landschap dat verder zo sterk door zwart en wit werd bepaald. Even verderop leidde een smalle kloof langs een stroompje naar Gljúfrabúi: een verborgen waterval, verscholen in een grotachtige ruimte met een open dak, die je van onderaf ervaart. Een uur later, bij Skógafoss, bleef in de schemer vooral het contrast over: wit water dat naar beneden stortte in het donker.

Figuur 1: Seljalandsfoss — een zeldzaam moment van kleur in een landschap van zwart en wit.


De dag erna leek het landschap zelf een schaakbord. Uitgestrekte lavavelden bij Eldhraun, overgenomen door mos maar nog altijd ruw en zwart, lagen vermengd met vlakken van sneeuw.

Bij Fjaðrárgljúfur liepen we boven langs de kloof, kijkend over de diepte, en in de verte. Het water stroomde via watervallen door de kloof naar de oceaan, die je in de verte kon zien liggen.
’s Middags splitsten we op. Terwijl de anderen omhoog klommen naar de zwarte waterval, koos ik ervoor om alleen naar de gletsjer Skaftafellsjökull te lopen. Even weg van de groep, alleen met het landschap. De gletsjer was verder weg dan ik dacht en leek groter en groter te worden naarmate ik dichterbij kwam. Ik dacht dat ik er bijna was, maar de mensen die ervoor liepen, bleven in de verte even klein als naalden.
Later, in de schemer, stopten we bij de gletsjerlagune Jökulsárlón en Diamond Beach. Brokken wit en diep blauw ijs lagen verspreid over het zwarte zand, helder en lichtgevend, als schaakstukken die willekeurig over een bord waren achtergelaten na een lange partij.
Bij Hotel Smyrlabjörg bleven we twee nachten. Na de eerste nacht maakten we een dagtrip verder naar het oosten en weer terug. Bij een Vikingendorp — een verlaten filmset — leek de tijd stil te staan. Aan de kust zagen we hoe de wind het zwarte zand in een dunne laag over de grond liet glijden. Rendieren doken op langs en op de weg; even later bereikten we de oceaan en reden we langs steeds bredere inhammen, als voorlopers van fjorden. Bij de eerste inham die ook echt de naam fjord draagt, lag het oostelijkste punt van onze autorit. In Djúpivogur kregen we een wijds uitzicht over het water. De overkant van de fjord was duidelijk zichtbaar, 2 km ver, maar met de auto 35 km ver, een half uur rijden.
De volgende dag keerden we terug en begon de weg richting het vliegveld. Overdag zagen we de gletsjerlagune Jökulsárlón en Diamond Beach opnieuw, nu in vol daglicht — dezelfde plek, maar een andere stelling.

Daarna kwamen we opnieuw bij de gletsjer. Dit keer trokken de anderen eropuit voor een georganiseerde tocht op het ijs, terwijl ik alleen naar de zwarte waterval ging die zij eerder al hadden bezocht.

Er was verse sneeuw gevallen. De weg omhoog was glad, elke stap vroeg aandacht — alsof elke zet opnieuw doordacht moest worden. De zwarte waterval kwam in zicht, maar de tocht naar beneden oordeelde ik als te steil en glad, en ik besloot niet verder te gaan.
Deze avond hadden we onze goedkoopste overnachting geboekt. Dat zagen we toen we arriveerden: er stonden veel kleine, open cabins met een glazen zijwand. Ook stonden er een soort bouwketen, waar wij zouden overnachten. De kamers leken op kleine gevangeniscellen, maar toch had onze bouwkeet een leuke verrassing in petto. De zolder boven de kamers was een donkere speelhol, een schaakset en een ouderwetse space invaders speelautomaat stonden klaar om mee gespeeld te worden.
Op de laatste dag stonden we vroeg op voor de reis naar het vliegveld. Toch was er nog één belangrijke stop. In Selfoss bezochten we het graf van Bobby Fischer, bij de kerk van Laugardælir: de Amerikaanse wereldkampioen die zich aan het einde van zijn leven in IJsland vestigde, geniaal, maar in zijn latere jaren steeds verder verwijderd van de wereld om hem heen.

Daar, bij dat eenvoudige graf, kwam alles samen: het spel, de reis, het contrast. Zwart en wit — niet alleen op het bord, maar in keuzes, in levens, in werelden die elkaar raken en weer uit elkaar drijven.
We waren er voor het spel gekomen, maar gingen naar huis met meer dan alleen partijen en uitslagen. Zwart en wit — niet alleen op het bord, maar ook in het landschap.
Laat een reactie achter