Door clubkampioen Arjan Schuurmans
Ratinglijsten hebben iets geruststellends. Ze geven de indruk dat schaken een overzichtelijke wetenschap is. Je zet een paar getallen naast elkaar en iedereen denkt ongeveer te weten hoe het gaat aflopen.
Vier spelers hadden zich geplaatst en zouden in een kleine competitie uitmaken wie kampioen werd. Iedereen één keer tegen elkaar.
Vanwege prioriteiten en tijdschema’s duurde het zes weken voordat alle wedstrijden gespeeld waren. Zes weken dus waarin de stand langzaam vorm kreeg en iedereen de tijd had om over de volgende partij na te denken en in de stress te raken.
Volgens de ratinglijst was de zaak eigenlijk vrij duidelijk. Ik stond namelijk onderaan. Dat schept verwachtingen. Vooral bij de anderen.
De eerste avond speelde ik tegen Brent Burg. Brent is van ons vieren de speler met de hoogste rating, ongeveer tweehonderd punten meer dan ik. Mijn doel voor de avond was dus eenvoudig: een nette remise zou al een kleine overwinning zijn. In de opening gebeurde iets opmerkelijk. Brent zag over het hoofd dat ik met mijn dame zijn toren op a1 in de problemen kon brengen. Dat leverde een kwaliteit en twee pionnen op, maar ook een dame die zich verdacht ver van huis bevond. Nadat ik mijn dame weer terug naar huis gebracht had, stond ik behoorlijk goed. Materieel voor, klaar om mijn andere stukken te ontwikkelen — het soort stelling waarvan een engine later zei dat ik keihard gewonnen stond, +3 voor mij. Alleen had ik één probleem: mijn hoofd speelde nog steeds de partij van iemand die best tevreden zou zijn met remise.
En zo gebeurde er iets merkwaardigs. Terwijl ik beter stond, begon ik zetten te herhalen in plaats van de rest te ontwikkelen. Dame naar b4, dame naar c5, weer terug. Tot we vaststelden dat de stelling drie keer op het bord was verschenen. Remise.
Op de tweede avond speelde ik tegen Rob van Meurs. De opening was een Caro-Kann, ruilvariant — het soort stelling dat meestal rustig begint. Ergens in de opening ging het echter net even niet helemaal goed voor zwart en ik won een pion. Het voordeel groeide daarna langzaam. Niet spectaculair, maar wel gestaag. Uiteindelijk bleef er een eindspel over dat prettig te spelen was en dat uiteindelijk gewonnen bleek. Na afloop was het ons beiden eigenlijk vrij duidelijk waar de partij was gekanteld, geen analyse voor nodig.
En zo kwam de derde avond.
In de laatste ronde speelde ik tegen Tim van de Steeg. Aanvankelijk leek de ratinglijst volledig gelijk te krijgen. Tim kreeg aanval en mijn stukken begonnen zich op een wonderlijke manier van mijn eigen koning te verwijderen. Kortom: ik stond slecht. Misschien wel verloren. Maar ook de ratinglijst heeft haar zwakke momenten. Op een gegeven moment speelde mijn tegenstander een zet die niet klopte. Het soort zet dat achteraf meestal begint met de woorden: “ik speelde het en besefte meteen dat het mis was.” Met een blunder kantelde de partij. De aanval verdween, stukken verdwenen van het bord en uiteindelijk bleef er een stelling over die voor mij gewonnen was.
En zo gebeurde het dat de speler met de laagste rating het play-offtoernooi won, en ik clubkampioen van Dubbelschaak werd.
De ratinglijst had ongetwijfeld een verklaring.
Maar na de drie wedstrijden in Boxtel had ik toch het gevoel dat de getallen zich heel even hadden vergist.
PS. Geschreven met een knipoog naar een beroemde Nederlandse schaakrubriekschrijver die wist dat schaaklogica soms verrassende kanten heeft.
Laat een reactie achter